De Hoge Raad heeft op 28 november een belangrijke uitspraak gedaan die de positie van oproepkrachten verder versterkt. Centraal staat de vraag of een oproepkracht die een aanbod voor vaste uren weigert, later alsnog aanspraak kan maken op loon op basis van het wettelijke rechtsvermoeden van arbeidsomvang. Het antwoord is helder: ja, dat kan.
Werkgevers zijn op grond van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) verplicht om een oproepkracht na 12 maanden een aanbod te doen voor een vast aantal uren. Dit aanbod moet zijn gebaseerd op het gemiddelde aantal gewerkte uren in het voorafgaande jaar.
Daarnaast kent het Burgerlijk Wetboek het rechtsvermoeden arbeidsomvang (artikel 7:610b BW). Dit houdt in dat een werknemer kan stellen dat zijn arbeidsomvang gelijk is aan het gemiddelde aantal uren dat hij in de afgelopen drie maanden heeft gewerkt.
In de zaak die bij de Hoge Raad voorlag, had de oproepkracht meerdere keren het vaste urenaanbod van de werkgever geweigerd. Op een later moment deed hij alsnog een beroep op het rechtsvermoeden en vorderde loon op basis van de gemiddeld gewerkte uren. De werkgever stelde zich op het standpunt dat dit niet kon, omdat de oproepkracht het vaste uren aanbod eerder had afgewezen.
De Hoge Raad maakt korte metten met dit verweer. Het weigeren van een vast uren aanbod staat niet in de weg aan een later beroep op het rechtsvermoeden arbeidsomvang. Het wettelijk vermoeden blijft dus onverkort van toepassing, ongeacht eerdere keuzes van de oproepkracht.
Maar hoe werkt dit nou in de praktijk?
Sanne werkt als oproepkracht bij een horecabedrijf. Zij heeft een nuluren contract en wordt ingeroosterd wanneer het druk is. In de praktijk werkt Sanne al langere tijd vrij regelmatig, gemiddeld 20 uur per week.
Na 12 maanden is haar werkgever op grond van de wet verplicht om haar een aanbod te doen voor een vast aantal uren. De werkgever biedt Sanne een contract aan voor 20 uur per week. Sanne wijst dit aanbod af, omdat zij nog niet vast wil zitten aan vaste uren in verband met haar studie.

mr. Fatmanur Günes
Een paar maanden later verandert de situatie. Sanne blijft gemiddeld 20 uur per week werken, maar haar werkgever betaalt haar alleen voor de uren waarvoor zij expliciet wordt opgeroepen. Sanne vindt dit onredelijk en beroept zich op het rechtsvermoeden arbeidsomvang. Zij stelt dat haar arbeidsovereenkomst feitelijk uitgaat van 20 uur per week en vordert loon over die uren.
De werkgever zegt dat dit niet kan, omdat Sanne het aanbod van de vaste uren heeft geweigerd.
De Hoge Raad heeft nu duidelijk gemaakt dat dit verweer niet opgaat. Ook al heeft Sanne eerder het vaste uren aanbod afgewezen, zij mag later alsnog een beroep doen op het rechtsvermoeden arbeidsomvang. De rechter kan dan aannemen dat haar arbeidsomvang 20 uur per week bedraagt, met bijbehorend loon.
Contact
Arbeidsrechtelijke vragen of meer weten over het rechtsvermoeden arbeidsomvang? Neem vrijblijvend contact met ons op. Dan kijken we samen wat de mogelijkheden zijn!