Indien mensen tegenwoordig (of beter gezegd sinds 1995) gaan scheiden, dan dienen de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten doorgaans te worden verevend op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS). Indien de hiervoor door mij genoemde wet van toepassing is dan heeft dat simpel gezegd tot gevolg dat het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen bij het moment van het bereiken van de pensioengerechtigde wordt verevend. De ex-partner ontvangt op dat moment een pensioenuitkering rechtstreeks van de pensioenuitvoerder van de andere ex-partner.

Met invoering van de WVPS heeft de wetgever een einde willen maken aan de onduidelijkheid die over pensioenen en echtscheiding bestond. Voor 1981 was het namelijk zo dat de ex-partner zijn eigen pensioen mocht houden, terwijl nadat de Hoge Raad hierover in 1981 (het arrest Boon/ Van Loon) uitspraak had gedaan, ineens alle tot aan de datum van ontbinding van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten voor verrekening in aanmerking kwamen. Daarin zit ook direct het grote verschil met de situatie nu: het pensioen dat opgebouwd is voorafgaand aan het huwelijk, hoeft niet langer te worden verdeeld sinds de invoering van de WVPS.

Omdat de verdeling van pensioenrechten voor veel mensen een ver van hun bed show was, schoot het afwikkelen daarvan er in het verleden nog wel eens bij in. U kunt zich mogelijk voorstellen dat, indien een jong echtpaar gaat scheiden, de verdeling van pensioenen niet het eerst is waar men aan denkt. Dit heeft niet zelden tot procedures geleid, vaak zodra de pensioengerechtigde leeftijd dichterbij kwam en mensen zich realiseerden niets te hebben afgesproken. Ex-echtelieden werden hierdoor soms na meer dan 20 jaar nog met elkaar geconfronteerd. Vanwege het feit dat er soms zoveel tijd overheen ging is er in de rechtspraak lange tijd discussie geweest over de vraag of indien een ex-partner na meer dan 20 jaar nog verdeling van de pensioenrechten vraagt, die vordering niet verjaard is. De algemene verjaringstermijn beloopt namelijk 20 jaar. Anders gezegd: kan men na 25 jaar nog verdeling vragen, bijvoorbeeld indien iemand in 1991 is gescheiden en vandaag de dag een procedure start?

Het antwoord hierop is ja. De vraag wordt door de Hoge Raad beantwoord aan de hand van artikel 3:178 lid 1 en 3:179 lid 2 BW. In het eerste artikel staat namelijk dat ‘te allen tijde’ verdeling kan worden gevorderd van een gemeenschappelijk goed. Dat betekent dus dat er geen verjaringstermijn geldt. Het tweede aangehaalde artikel bepaalt dat indien bij de verdeling een goed is overgeslagen, dit slechts tot gevolg heeft dat alsnog verdeling daarvan kan worden gevorderd. Ook een dergelijke vordering tot nadere verdeling is een vordering tot verdeling van een gemeenschapsgoed in de zin van 3:178 BW. De conclusie die de Hoge Raad dan ook terecht trekt is dat een vordering tot verdeling van pensioenrechten na echtscheiding niet kan verjaren.

Voorgaande betekent dat indien u het idee heeft dat u tijdens uw echtscheiding niet over pensioenen heeft gesproken, noch daarover iets heeft vastgelegd, u daar alsnog werk van kan maken. Ook al is dat dus meer dan 20 jaar geleden. Ondergetekende is zonder meer bereid samen met u naar uw zaak te kijken en te kijken wat de mogelijkheden zijn. Mocht u daarvoor interesse hebben dan kunt u contact opnemen via ons kantoor op telefoonnummer 0413 – 266 069. Uiteraard staat het u ook vrij om te mailen naar vanheertum@bouwmanadvocaten.nl.

Tot slot nog de uitspraak van de Hoge Raad:
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:762
en een uitspraak van mijzelf hierover waarin dit onderwerp aan het licht kwam:
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ3498

Met vriendelijke groet,

Sander van Heertum

CategoryNieuws

© 2015 BOUWMAN ADVOCATEN | ONTWIKKELD DOOR BURO TWEEVOUD

logo-footer

Volg ons op social media: