In het bestuursrecht zijn termijnen van cruciaal belang. Indien niet binnen de termijn bezwaar of beroep wordt gemaakt, is de kans verkeken en wordt het besluit onherroepelijk. Er is dan geen mogelijkheid meer om tegen dit besluit op te komen.

Op grond van artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep.

Op grond van artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht over de bezwaartermijn zien op het besluit als geheel en niet op deelbesluiten. Dat betekent dat ook een deelbesluit waartegen bij inleidend bezwaarschrift nog geen gronden zijn gericht, na het verstrijken van de bezwaartermijn, bij een aanvullend bezwaarschrift alsnog kan worden aangevochten.

In deze bijdrage wil ik kort stilstaan bij een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 6 april 2017. In het primaire besluit werden vier deelbesluiten genomen, waartegen door eisers bezwaar werd gemaakt. In het bezwaarschrift werden door eisers gronden aangevoerd tegen twee van de vier deelbesluiten. Maanden later werden deze gronden aangevuld, waardoor het bezwaarschrift niet alleen de eerste twee deelbesluiten betrof maar alle vier de deelbesluiten.

Vraag in deze zaak was dus of het aanvullend bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard mocht worden, gezien het feit dat het was ingediend ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn van het primaire besluit.
Verweerder stelde zich op het standpunt dat met het bezwaarschrift uitsluitend bezwaar was gemaakt tegen twee van de vier besluiten, en dat er voor de andere twee deelbesluiten dus geen blijk was van gronden van bezwaar.

De aanvullende gronden van bezwaar zouden, aldus verweerder, buiten de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zijn ingediend. Ook zouden er geen verschoonbare omstandigheden zijn die deze termijnoverschrijding rechtvaardigden.

Naar het oordeel van de rechtbank was het primaire besluit één besluit dat bestond uit vier deelbesluiten die ieder zelfstandig voorwerp van bezwaar en beroep konden zijn. Met het bezwaarschrift was tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit als geheel en daarbij gronden gericht tegen twee van de vier deelbesluiten. Bij aanvullend bezwaar waren de gronden gericht tegen de andere twee deelbesluiten. Er is geen wettelijke bepaling die zich verzet tegen deze gang van zaken.

Het indienen van nadere gronden, die zich richten op deelbesluiten waartegen in diezelfde procedure nog niet eerder gronden zijn gericht, kan slechts worden beperkt door de goede procesorde. De rechtbank was van oordeel dat er geen sprake was van strijd met een goede procesorde, omdat verweerder na het aanvullend bezwaarschrift voldoende gelegenheid had gehad om op de nieuwe gronden tegen de overige deelbesluiten in te gaan. Verweerder had het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, het beroep was dus gegrond.

Indien u naar aanleiding van het voorgaande nog vragen hebt, neemt u dan gerust contact op met Bouwman Advocaten via 0413-266069.
Stef Ketelaars, stagiair

CategoryNieuws

© 2015 BOUWMAN ADVOCATEN | ONTWIKKELD DOOR BURO TWEEVOUD

logo-footer

Volg ons op social media: